Drones kenden we tot nu toe vooral als een fotografisch hulpmiddel dat zijn eigenaar toelaat om foto’s en video’s vanuit de lucht te maken, hem automatisch volgend tijdens zijn wandelingen, skiafdalingen en andere buitenactiviteiten. Maar een aantal halve gekken vond een veel spannendere toepassing voor die grienende tuigjes: ermee racen.

We kennen drones vooral als vehikels die de hoogte in gaan. Telegeleide minivliegtuigjes die, dankzij hun meerdere propellers, stabiel ter plaatse kunnen blijven zweven, en van bovenaf foto’s en video’s kunnen schieten. Liefhebbers van extreme sporten en buitenmensen haalden ze massaal in huis, omdat ze net handig zijn voor dat soort activiteiten: ze gaan rustig uit zichzelf de lucht in, volgen hun eigenaar van bovenaf via diens GPS-coördinaten en vliegen eigenhandig terug naar hun startpositie wanneer de batterij (typisch na vijftien tot dertig minuten) gedraineerd dreigt te geraken. Drones kunnen vanzelfsprekend ook manueel worden bestuurd, maar ook dat is bij commerciële toestellen een eerder beduusde bezigheid, vooral gericht op het nemen van beelden.

Een gemiddelde competitiedrone haalt snelheden van 160 tot 190 km/u, met uitschieters tot 233 km/u. Dat is maar net wat trager dan de Cupra Ateca, een sportieve SUV die het zustermerk van het Spaanse SEAT eind 2018 op de markt brengt. Die haalt moeiteloos 245 km/u.

In de race

Pimp echter hun motoren een beetje en schaaf de aerodynamica wat bij, en ze halen moeiteloos snelheden van 190 km/u, met acceleraties van luttele seconden naar die topsnelheid. En dankzij hun stabiliserende multirotorbouw gaan ze ondanks die hoge snelheden ook nog eens enorm fluks door de bocht. Dat ontging een aantal enthousiaste hobbyisten natuurlijk niet: wereldwijd ontstonden er de afgelopen vijf jaar druppelsgewijs droneraces, die worden georganiseerd op weilanden, vliegvelden, in loodsen en in verlaten fabrieksgebouwen. De grienende vliegtuigjes moeten in die settings een soort hindernissenparcours afleggen, dat niet alleen hun snelheid en bochtenwerk op de proef stelt, maar ook hun bedrevenheid om zowel horizontaal als verticaal bij te sturen.

Bovendien is er dat first-person view dat een groot verschil maakt met bijvoorbeeld modelbouwvliegtuigjes: de dronepiloot kijkt, via een cameraatje dat in de drone gemonteerd staat, door de ‘ogen’ van zijn tuigje, dat constant een videofeed naar een speciale ontvangstbril stuurt.

Veel roepingen

De sport is vandaag al internationaal georganiseerd: er zijn jaarlijkse wereld-, Amerikaanse en Europese kampioenschappen. En ook in België worden er al enkele jaren races georganiseerd. De vzw Drone Racing Belgium telt momenteel meer dan vierhonderd Belgische dronepiloten die in wedstrijdverband vliegen. Al is daar een enorm verloop in. “Velen voelen zich geroepen, maar er vallen er ook veel weer snel af”, zegt Sep Berghmans, oprichter van de organisatie. “Het ziet er allemaal enorm spannend uit, en dat is het uiteraard ook: zo’n dronerace pompt de adrenaline door het lijf van zowel de piloten als de toeschouwers. Maar zo’n drone besturen is veel moeilijker dan het lijkt. Heel wat nieuwe piloten stappen erin met de verwachting dat het zoiets is als een videogame spelen, maar zo simpel is het niet. Er is echte fysica in het spel. En het vergt – behalve behendigheid in het besturen – ook heel wat technische kennis.”

Spoedig herstel

Een realiteit in het droneracen is namelijk dat de vliegtuigjes in negen van de tien races averij oplopen, en vaak resulteert een race in een total loss. De regels laten echter wel toe dat er met een andere drone mag worden verder gevlogen. “Goed gesponsorde racers hebben vier exemplaren van dezelfde drone klaarstaan in hun kofferbak”, zegt Berghmans. “Om echt competitief te zijn, heb je minstens wel een tweede drone nodig, want er gaat altijd wel iets stuk. Dan kan de piloot met de tweede drone racen, terwijl de eerste door zijn teamleden wordt hersteld. Want stel je voor dat er vlak voor de finish weer iets gebeurt, deze keer met de back-updrone. Snel kunnen herstellen, kunnen omgaan met een soldeerbout en een schroefmachine, dat zijn vaardigheden die het verschil kunnen maken.”

Zelfgebouwd

Meer nog: het bouwen en herstellen van een drone is de andere helft van de pret. Degene die in de dagen en weken tussen races door wordt beleefd in het atelier van de droneracer. Na de race volgt het lieflijke karwei om de stukjes op te rapen, nieuwe onderdelen te bestellen waar dat nodig is en de toestellen weer op te lappen voor een volgende race. Herstellen is dus even belangrijk als besturen. “Maar ook je drone verbeteren”, zegt Tim ‘Xplorer’ Mertens, een droneracer uit Olen die er al van in het begin bij is. “Je wilt zo weinig mogelijk gewicht. Gewicht is luiheid. En je toestel moet vooruit kunnen. Een goeie racedrone heeft een gewicht van zo’n 350 gram, maar de motoren zijn zo krachtig dat het een hefvermogen van meer dan vijf kilogram heeft. Letterlijk alle drones die mee racen, zijn overigens zelfgebouwde toestellen. De dingen die we ermee willen doen, krijg je niet voor elkaar met een apparaat dat je in de winkel koopt om je wintersportavonturen mee vast te leggen op video.”

Bloeiende industrie

Die hobbyisteninsteek die achter het droneracen zit, bracht ook een bloeiende bedrijvigheid in semi-kant-en-klare racedrones en premiumonderdelen in gang. Waar in het consumentensegment merken als DJI, Yuneec en Parrot het voor het zeggen hebben, kijken droneracers naar merken als Vortex, Blade, Eachine en Blacksheep. Die hebben volledige competitiedrones op de markt, maar het is eigen aan het circuit van droneracers dat ze hun eigen modificaties bouwen. “We zien stilaan hoe de commercie inbreekt op iets wat nog maar recentelijk uitsluitend door hobbyisten werd bedreven”, zegt Tim Mertens. “Beoefenaars van het eerste uur kunnen dat spijtig vinden, maar het is evengoed een zegen als een vloek. Het geeft ook aan dat we goed bezig zijn en het laat een breder publiek genieten van de opwinding die wij al enkele jaren voelen bij iedere race.”

Nog geen groot geld

Tegelijkertijd heeft het grote geld nog geen greep gekregen op het droneracen. Niet dat het dat nog niet heeft geprobeerd: er werden al televisierechten verkocht van de grote wereldwijde competities, er stappen sponsors in het verhaal, en er pompten investeerders miljoenen in initiatieven die de opkomende sport wilden professionaliseren. Het is verkwist geld gebleken tot nu toe. “Het moet volgens mij zijn eerste cent nog opbrengen”, zegt Berghmans. “Maar dat vindt niemand die ermee bezig is echt erg. De manier waarop de sport nu is georganiseerd, in circuits van hobbyisten, straalt een grote charme uit. Bovendien weten sponsors, ook op lokaal gebied, de sport stilaan te vinden. Het is veel mooier om het stilaan te zien groeien.”