Straffe verhalen

Sigaren roken is een kunst die stijl en smaak combineert. Maar gelukkig wel een kunst die makkelijk aan te leren is. Hier zijn enkele tips om jezelf het sigaren roken in geen tijd eigen te maken.

1 / Kiezen

Je eerste stop is de betere sigarenhandel in je buurt. Kies een tabakswinkel die gespecialiseerd is in sigaren en laat je adviseren door de verkoper. Er zijn, net als bij wijnen, veel smaakverschillen tussen de verschillende sigarensoorten. Alles hangt af van de tabaksplant die werd gebruikt, de manier waarop die is geteeld en de bodem waarin dat is gebeurd. Zo zijn er bijvoorbeeld sigaren die neigen naar noten-, kruiden-, aarde- en zelfs fruitsmaken. Ondergetekende zijn favoriet is de Arturo Fuente Opus X, die neigt naar notensmaak: alsof je een reep chocolade aan het roken bent. Wie niet te veel risico’s wil nemen, grijpt naar de bekende merken als Cohiba, Romeo y Julieta of Montecristo. Laat je ook raad geven wat de omvang betreft: er zijn een twintigtal verschillende formaten, maar als je een beetje kerel wilt zijn, kies je natuurlijk de grotere: denk Churchill of – de evergreen onder de sigarenmaten – Robusto.

 

2 / Cubanen zijn niet noodzakelijk de beste

Cuba was decennialang de bakermat van de sigarenhandel, maar wie nu nog stelt dat Cubaanse sigaren de beste zijn, houdt alleen maar een hardnekkig fabeltje in stand. Kwalitatief gezien behoren de betere Cubaanse sigaren uiteraard nog steeds tot de top, maar een aantal sigarenmerken uit de Dominicaanse Republiek, Nicaragua en Honduras levert vandaag gewoon betere producten af. Die beweging vond zijn oorsprong al in de jaren ‘60 van vorige eeuw. In 1959 besloot wijlen Fidel Castro om de sigarenhandel onder staatseigendom te plaatsen, waarop er een soort braindrain ontstond onder de sigarenproducenten. De Dominicaanse, Hondurese en Nicaraguaanse sigarenmakers van vandaag zetten een traditie van voormalige Cubaanse sigarenfamilies verder, die toen het land zijn ontvlucht.

 

3 / Knippen

Goed, je hebt een voorraadje ingeslagen, en nu is het tijd om er eentje uit je vestzak te halen. Een belangrijke handeling in het hele ritueel waarmee het roken van een sigaar gepaard gaat, is het wegknippen van het topje aan het mondstuk. Daarvoor heb je zo’n schuifknipper nodig, die de kop er met een of twee over elkaar schuivende messen afhaalt. Enige voorzichtigheid is hier geboden: het is de kunst om uitsluitend dat topje af te knippen, want anders loop je het risico dat het dekblad – het buitenste tabaksblad dat alles bij elkaar houdt – los komt te zitten. Een tip voor de minder handige personen is de knipper plat op tafel leggen, het puntje van de sigaar erin plaatsen en op die manier de kop eraf halen.

 

4 / Het puntje opwarmen

Voordat je aan het roken slaat, moet je eerst de punt van de sigaar – gelijkmatig, met een draaiende beweging – opwarmen. De vlam mag nooit de sigaar zelf raken, want dat kan de smaak verpesten. Ook ‘fancy’ hulpmiddeltjes, zoals een Zippo-aansteker of solferstokjes, kunnen ervoor zorgen dat je een perfect goede sigaar rijp maakt voor de vuilnisbak. De solfer, benzine of andere stoffen dringen dan namelijk de sigaar binnen bij het aansteken, en bezoedelen de smaak. Gebruik ‘ordinaire’ middelen om de sigaar aan te steken. Gebruik een gewone aansteker met butaangas. Of gebruik een klassieke lucifer. Na het aansteken eventjes stevig intrekken en hij is vertrokken.

 

5 / Roken! Maar hoe?

Waarna het echte werk komt: paffen! Maar hoe? Misschien helpt dit citaat van de Zwitsers-Cubaanse sigarenmaker Zino Davidoff wel: “Een sigaar moet niet te snel, maar ook niet te traag worden gerookt, maar zeer regelmatig, met kleine trekjes.” Maar eigenlijk moet je het zelf weten. Er bestaat eigenlijk geen voorgeschreven ritueel om een sigaar te roken: alles hangt af van de smaak van de sigaar en de voorkeur van de roker. Uiteraard is het de bedoeling dat je ze er niet te snel doorpaft: het gaat erom dat je ze savoureert, er de tijd voor neemt, er eventjes voor gaat zitten. Of je bij het roken het bandje al dan niet rond de sigaar laat, mag je – in tegenstelling tot velerlei fabeltjes – zelf bepalen. En zeker niet inhaleren: het is de bedoeling dat je de rook tot aan je verhemelte of net in je keelholte intrekt, daar wat vasthoudt en vervolgens weer uitblaast.

 

6 / Streven naar verfijning

Nu begint ook je leerproces. Voordat je weet of je een goede of een slechte sigaar in je mond hebt, moet je er namelijk een hoop geproefd hebben. Sigaren zijn, net zoals al de betere dingen in het leven, an acquired taste. Maar er is een visueel hulpmiddel om het kaf van het koren te scheiden. De as die aan de brandende top van de sigaar hangt, moet altijd een kegel vormen. Het Ligeroblad, het centrale blaadje dat dwars door de sigaar loopt en dat zeer belangrijk is omdat het voor de specifieke smaak zorgt, brandt veel trager dan de tabak die errond gewikkeld is. Dat veroorzaakt de bekende askegel vooraan de sigaar. Wanneer je er geen hebt, ben je geheid een inferieure sigaar aan het roken.

 

7 / Bewaren

Ook het bewaren van je sigaren is een kunst op zich. Het komt erop neer dat ze best bij kamertemperatuur worden bewaard: bij 70 procent luchtvochtigheid. Het allerlaatste wat je wilt, is dat het beestje uitdroogt, want dan is hij onrookbaar. De beste manier om die perfecte temperatuur- en vochtigheidsconditie te verkrijgen, is via een humidor, een bewaardoos die speciaal voor die doeleinden gemaakt is. Wie daar geen geld voor wil uitgeven, vraagt wanneer hij zijn sigaren inslaat bij de tabakshandel best een houten sigarenkistje om ze in te vervoeren. Sigarenkistjes zijn meestal gemaakt van cederhout en zijn daardoor uitstekend geschikt om sigaren te bewaren. Als je losse sigaren in je zak draagt, doe je ze best in een plastic ziploc-zakje.